Het woonhuis van Rudolf Boehm

Onze wandelgids over de Visserij is een waar succes en is bijna uitverkocht. Auteur Marc Hanson blijft echter niet op zijn lauweren rusten en heeft al een eerste aanvulling geschreven. Dankzij de weduwe van Rudolf Boehm heeft hij hun mooie burgerhuis kunnen bezoeken. Een interessante woning omdat er nog veel authentieke elementen uit het begin van de vorige eeuw zijn bewaard gebleven.

2023-02-05T20:06:42+01:005 februari 2023|Buurt, Historisch|

Baafse boeken en kleuren

In de late middeleeuwen bewaarde de Sint-Baafsabdij enkele honderden perkamenten manuscripten. Deze kostbare handschriften waren beschermd door stevige houten boekbanden waarvan de voorkant meestal met leder bekleed was. Ze werden liggend opgeborgen in koffers of kasten om het weerbarstige perkament vlak te houden. Daarom was er geen titel op de rug van het boek zoals nu het geval is. Het merken en catalogeren van de boeken bezorgde de bibliothecaris ook heel wat hoofdbrekens want vaste, uniforme klasseringssystemen bestonden toen nog niet.
Prior en bibliothecaris Olivier de Langhe bezat rond 1450 een imposante privébibliotheek die zelfs groter was dan de gemeenschappelijke. Zijn boeken waren gemerkt met een letter en een cijfer. De code begon telkens met een gouden, een zwarte, een rode of een blauwe letter. Het goud was voorbehouden voor zijn eigen werken in het Latijn en het Middelnederlands. Het zwart was voor de boeken van de school die tot 1524 aan de abdij was verbonden. De boeken met de rode en blauwe merktekens had hij uit de gemeenschappelijke bibliotheek gelicht. De manuscripten daar waren immers van die kleurindicaties voorzien.

Naast de manuscripten lieten abten al rond 1200 cartularia (verzamelbundels van afschriften van originele oorkonden) aanleggen, waarvan de boekband een kleur of stempel kreeg. Zo wisten de gebruikers direct om welke oorkonden het ging: van andere abdijen, van pausen, bisschoppen of vorsten. Zeer veel originele boekbanden zijn om allerlei redenen, bijvoorbeeld slijtage of uit de mode, verloren gegaan. Enkele mooie banden, onder andere van abt Rafaël de Mercatel, bleven bewaard in de bibliotheek van UGent.

Ook de Gentse stadsadministratie gebruikte cartularia. Zo konden schepenen en hun klerken gemakkelijk informatie over juridische en politieke kwesties in het schepenhuis opzoeken. De originele oorkonden werden veilig in archiefkoffers achter slot en grendel in het belfort bewaard. Die cartularia werden naar de kleur van hun boekband genoemd. Zo was er het Rooden boeck (begonnen begin vijftiende eeuw), het Witten boeck, Groenen boeck en Swarten boeck. De originele boekbanden zijn niet bewaard.

Marc Hanson

Illustraties: manuscripten uit de bibliotheek van Rafaël de Marcatel, Universiteitsbibliotheek Gent

2022-11-29T10:24:14+01:0027 november 2022|Abdij, Historisch|

Bastaardzonen met een kerkelijke topfunctie

Tijdens het hele ancien regime klommen vorstelijke bastaardzonen vaak op tot hoge kerkelijke functies. Een mooi voorbeeld hiervan zijn drie bastaardkinderen van de lang regerende Bourgondische hertog Filips de Goede (+1467). De eerste was de bibliofiele en humanistische Raphaël de Mercatellis (+1508) die opklom tot abt van de Sint-Baafsabdij. Uitzonderlijk is hij niet de geschiedenis ingegaan als een ‘van Bourgondië’, maar onder de familienaam van de Italiaanse echtgenoot van zijn moeder, Bernardo Mercatelli di Mercatello een Venetiaanse handelaar die in Brugge woonde. De tweede was de eveneens bibliofiele David van Bourgondië (+ 1496). Hij werd de militante en machtige bisschop van het uitgestrekte bisdom Utrecht. De derde, Filips van Bourgondië – Blaton (+ 1524) bracht het tot admiraal van de Nederlanden en werd daarna verkozen tot bisschop van Utrecht.
Het inzetten van bastaardzonen in kerkelijke en politieke en militaire topfuncties had veel te maken met de snelle expansie van het Bourgondische landencomplex in de vijftiende eeuw. Die buitenechtelijke kinderen waren steunpilaren op wie de hertog van Bourgondië kon rekenen om zijn dynastieke en politieke (territoriale) ambities te realiseren. Die realisatie ging veel vlotter wanneer abten van belangrijke abdijen en bisschoppen van invloedrijke bisdommen de hertogen onvoorwaardelijk trouw waren en bleven. Door hun degelijke opleiding aan het Bourgondische hof en door hun eventuele studie aan een universiteit – de Mercatel behaalde een doctoraat in Parijs – waren ze meestal goed voorbereid op die topfuncties. Daarom werden ze vaak ingezet als diplomaten om geschillen tussen Kerk en Staat te ontmijnen. Via schenkingen en leningen kwamen ze ook geregeld tegemoet aan de logistieke en financiële noden, veroorzaakt door de geldverslindende Bourgondische oorlogen en hofhouding. Op 25 januari 1488 leende abt de Mercatellis 1200 pond par. uit aan Maximiliaan van Habsburg om de troepenmonstering tegen Gent te betalen. Uiteraard werden die abten en bisschoppen verondersteld voor de hertogen te bidden en te laten bidden, processies te organiseren, hun begrafenis luister bij te zetten enz.
Ze bleven natuurlijk ook zelf niet met lege handen achter. Zij en hun respectieve families werden begiftigd met allerlei privileges, mooie geschenken, uitnodigingen voor prestigieuze evenementen, ambten met weinig werk, maar een mooi inkomen. Onder de Habsburgers werd heel dit systeem van geven en nemen verder uitgerold. Onder keizer Karel V vond geen enkele hoge kerkelijke benoeming meer plaats zonder zijn fiat. De officiële Kerk uitte nauwelijks of geen bezwaren tegen bastaardzonen en –dochters. Zij deed zelf volop mee aan dit eeuwenoude gebruik, dat zelfs tot op vandaag enigszins voortleeft.

Marc Hanson

llustratie: Rogier van der Weyden, Koninklijke Bibliotheek Brussel.

2022-10-29T14:08:24+02:0029 oktober 2022|Abdij, Historisch|

Geslaagde oogoperatie in het Spaans Kasteel

In de zeventiende eeuw stond aan het hoofd van het Spaans Kasteel (de enorme militaire vesting op de plaats van de vroegere abdij en een deel van haar dorp) een militair gouverneur of castellano. Dit was een hoge officier van adel, rechtstreeks benoemd door de hoogste regeringskringen in Madrid. Een van de laatste gouverneurs van die eeuw was Francis Pardo, die  bijna blind was door grijze staar. Daardoor berustte het feitelijk bevel bij een plaatsvervangende luitenant en dreigde ontslag voor de gouverneur.

Aan de Citadel was er minstens één chirurgijn of heelmeester verbonden, maar die kon hem niet helpen. In 1674 verbleef een reizende ‘oogmeester’, Lotharinger van geboorte, enkele dagen in Gent. Volgens getuigen kon hij “met zulke behendigheid de ogen pellen van personen die al jaren het zicht totaal verloren waren, dat hij hun in enkele dagen het zicht teruggaf”. Ook bij gouverneur Pardo slaagde de operatie waarbij de troebele lens uit het lenskapsel werd verwijderd. Daarna zag de ‘blinde’ opnieuw licht en kon hij weer voorwerpen onderscheiden, zij het wazig. Deze ‘operatie’ die ook al in de middeleeuwen werd toegepast, was een zeer oude techniek die in het Verre Oosten en ook in de Oudheid, onder andere bij de Romeinen, was gekend.

 

‘Oogmeesters’ en ‘steensnijders’, die bijvoorbeeld blaasstenen verwijderden, waren goed betaalde rondreizende specialisten, die behendigheid aan durf paarden. Ingrepen mislukten geregeld of leidden na korte tijd tot (grote) problemen en zelfs overlijden. Daarom verbleven ze meestal maar enkele dagen in een bepaalde stad. In september 1351 opereerde de Duitse geneesheer Jan van Mainz, die in Doornik op doorreis was, Gilles Li Muisis, de oude abt van de Sint-Maartensabdij en een goede bekende van de abt van Sint-Baafs. Met een fijne zilveren naald verwijderde de Duitser het verharde hoornvlies van zijn patiënt, die heel blij was met zijn herwonnen zicht.

Marc Hanson

llustraties:
Fragment van een illustratie uit Ophtalmodouleia , 1583. Bron: Bibliothèque interuniversitaire de santé.
Jan Van Mainz opereert Gilles Li Muisis uit Tractatus quartus, ca 1353 van Li Muisis. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België.

2022-06-29T14:13:07+02:0029 juni 2022|Abdij, Historisch|

Belangrijk archief in het Spaans Kasteel

In 2018 publiceerde Buren van de Abdij een fraai uitgegeven boek over het Spaans Kasteel. Hierin wordt niet vermeld dat er in deze immense dwangburcht gedurende jaren een belangrijk archief werd bewaard: het Trésor de Flandre of de oorkonden van de graven van Vlaanderen (1086-1559). Omdat de graven en gravinnen geen vaste residentie hadden, reisde ook hun oorkondenschat (een verzameling van juridisch belangrijke documenten op perkament) mee met de grafelijke hofhouding en administratie. Belangrijke bewaarplaatsen waren onder andere Brugge, Rupelmonde en Rijsel.

Vanaf het einde van de zestiende eeuw werd dit waardevolle archief in slechte omstandigheden bewaard in de toren van het Gentse belfort en in de Sint-Baafskathedraal. Daarom werd het in 1600 naar een archiefruimte in het Spaans Kasteel overgebracht. Op 9 maart 1678 veroverden Franse troepen de stad en drie dagen later gaf ook de burcht zich over. Toen de Fransen de collectie confisqueerden bleek dat ze niet met zorg was beheerd. De Spaanse militaire leiding had andere zorgen. Het deel van het archief, vaak in deplorabele toestand, dat de Fransen in Gent achterlieten, werd in 1717 naar het Gravensteen overgebracht, waar de Raad van Vlaanderen zijn zetel had.

Na nog eens talrijke omzwervingen kwam dit archief, dat behoort tot de top van het archiefpatrimonium van de middeleeuwse Lage Landen, rond het midden van de negentiende eeuw in het Rijksarchief Gent terecht. Archivarissen onderscheiden in dit archief vier delen, goed voor in totaal 4055 bestanddeelnummers. Het nieuwe archiefgebouw in de Bagattenstraat biedt sinds 2015 de ruimte om dit rijke, waardevolle archief op een professionele manier aan te pakken. Vanaf januari 2019 worden de charters door een gespecialiseerd bedrijf in Nederland gereinigd, gevlakt, gestabiliseerd en herverpakt. Tegen begin 2022 zullen alle charters materieel behandeld zijn en zullen ze digitaal worden verwerkt. Dit belangrijke project kon gerealiseerd worden dankzij een flinke subsidie van het Fonds Baillet-Latour.

Marc Hanson

illustraties: Rijksarchief Gent

2022-04-19T10:57:14+02:0019 april 2022|Abdij, Historisch|

De abdij verhuurt een ‘stove’

Een ‘stoof’ of ‘stove’ was een laatmiddeleeuws badhuis voor 10 à 15 personen, waar vooral bemiddelde lieden vaak in gezelschap genoten van een warm bad, een drankje en een hapje, een gezellig gesprek, een zacht bed en soms meer. Sommige stoven waren inderdaad verdoken bordelen. Er waren stoven voor mannen, vrouwen of beide seksen, met warmwaterbaden of droge warmte. Verwarming gebeurde met open haarden of, efficiënter, met dure tegelkachels. De populariteit van de badhuizen in de steden bereikte een piek in de vijftiende eeuw. Gent telde er toen een veertigtal, ongeveer evenveel als Brugge, bekend vanwege zijn badhuiscultuur.

In de vijftiende eeuw bezat de Sint-Baafsabdij de stove Clinckerspoort, ondergebracht in een groot huis aan de bekende Proostvijver op de Visserij, een deel van het Sint-Baafsdorp. Via de nabije Schelde kon het gebruikte badwater geloosd worden en een waterstraatje dat uitgaf op de rivier zorgde voor discretie. Vanaf oktober 1405 huurde Jan de Winne de stove voor een termijn van zes jaar van de aalmoezenier van de abdij. Hij betaalde hiervoor 12 groten tournoois per week. Vanaf mei 1407 onderverhuurde Jan de stove voor 2, 5 jaar aan het echtpaar Daniel van der Heeken en Aachte van Scaloen voor 16 groten tournoois per week. Hij deed zijn naam dus alle eer aan.

Eind vijftiende eeuw werd de stove omgebouwd tot een gewoon woonhuis. Niet uitzonderlijk. Veel badhuizen werden rond die tijd of nog iets later omgebouwd tot woonhuizen of kleine brouwerijen. Als gevolg hiervan zijn er amper restanten van die kleine middeleeuwse badhuizen. Illustraties in handschriften en later in gedrukte boeken geven ons wel een impressie ervan.

Marc Hanson

illustraties:
Fragment van een illustratie uit de Codex Manesse, 1300-1340. Bron: Universitätsbibliothek Heidelberg
Badhuisscène uit Factorum Dictorumque Memorabilium des Valerius Maximus, 1475. Bron: Wikipedia

2022-03-06T13:34:55+01:006 maart 2022|Abdij, Historisch|

Baafse monniken in bad?

De (Baafse) benedictijnenmonniken namen veel over van de Romeinen, maar niet hun badcultuur in grote, mooi ingerichte badhuizen. Die luxe en aandacht voor het sterfelijk lichaam paste niet bij hun sobere levenswijze. De monniken schonken weinig aandacht aan lichaamshygiëne. Ze vonden het belangrijker de binnenkant, de ziel te reinigen.
Bij de Baafse monniken werd het baden herleid tot een bescheiden ritueel: in het lavatorium of wasplaats wasten ze hun handen vooraleer ze de kerk binnen gingen en ook vóór de maaltijden in de refter. In de Sint-Baafsabdij ligt het lavatorium dan ook in het midden van de oostelijke pandgang, op gelijke afstand van kerk en refter.

In navolging van artsen uit de oudheid zoals Hippocrates en Galenus was baden iets helends, enkel voor zieke monniken. Het bad(huis) bevond zich in of dicht bij de ziekenzaal. Aangezien de meeste monniken gedurende het jaar wel eens ziek werden of deden alsof, konden ze toch heel af en toe een warm bad nemen. De ziekenbroeder strooide vooraf geurige en vooral geneeskrachtige kruiden in het warme badwater. Die werden soms voorgeschreven door een dure arts en geleverd door een Gentse apotheker. Gewend aan soberheid zal de badende monnik misschien des te meer genoten hebben van het weldadige water.

Marc Hanson

illustraties:
Tekening van Michael Wolgemut uit de Kroniek van Neuremberg. Bron: Wikimedia.
Zicht op de abdij met het lavatorium omcirkeld. Bron: Google Earth

2022-02-13T13:13:45+01:0010 februari 2022|Abdij, Historisch|

Waarom is de refter van de Sint-Baafsabdij zo groot?

‘Waarom zo’n grote refter voor twee dozijn monniken?’ vroeg een bezoeker me eens tijdens een rondleiding. ‘Het prestige van abdijen leidde tot grote gebouwen’ heb ik toen geantwoord. ‘Denk bijvoorbeeld ook aan de kerk, de ziekenzaal en de kapittelzaal.’ Maar er is meer. De monniken zaten maar aan één kant en met wat afstand van elkaar aan de tafels, die in een langwerpige u-vorm waren opgesteld. Dat vergemakkelijkte de bediening en de monniken aten toch zwijgend en luisterend naar de voorlezing uit de Bijbel of een ander religieus boek. De voorlezer stond in een nis, die zowel van buiten als van binnen goed te zien is. Soms waren er ook (veel) meer aanwezigen, bijvoorbeeld belangrijke gasten bij feesten of plechtigheden.

Het grote gebouw (40m lang, 10,5m breed en 18m hoog) hield in de winter de koude noordenwind tegen, een functie die in de meeste abdijen voor de kerk, het grootste gebouw, was weggelegd. Die grote gebouwen, rond een min of meer vierkante ruimte opgetrokken, zorgden ook voor de nodige veiligheid en afscheiding van de wereld rondom. Naast prestige, veiligheid en efficiëntie, was er ook de symbolische waarde. De refter was groot omdat er een belangrijke gebeurtenis werd herdacht: het Laatste Avondmaal.

Marc Hanson

illustratie: Suso’s Horologium Sapientiae, Koninklijke Bibliotheek van België.
foto’s: Eddy De Geest

2022-01-17T11:06:15+01:0017 januari 2022|Abdij, Historisch|

Beste wensen uit 1906

Deze oude nieuwjaarskaart met een zicht op de Sint-Baafsabdij was bestemd voor juffrouw Fernande Heymans uit de ‘Rue van Hulthem’ in Gent. Het jaartal 1906 is versierd met stekelige hulstblaadjes. De gevleugelde klokken luiden het nieuwe jaar in. Centraal in de uitsnede zien we het opgeknapte en van zijn begroeiing ontdane lavatorium van de Sint-Baafsabdij.

Wenskaarten voor nieuwjaar met stadsgezichten waren in de Belle Epoque eerder uitzondering dan regel. Men zag toen liever snoezige dieren, kleurrijke bloemen en landschappen, schattige kindjes of mensen met wensen enz. De allereerste prentbriefkaarten werden gedrukt rond 1870. Dertig jaar later begon men, geholpen door de verbeterde fotografie- en druktechnieken, massaal prentbrief- en nieuwjaarskaarten te drukken en te versturen, ook in België. Al vrij snel werden ze booming business in steden als Brussel, Gent en Oostende.

Voor de prentbriefkaarten (vanaf circa 1840) waren geporseleinde kaarten in de mode, bedoeld als commercieel drukwerk. Deze kaarten kregen hun glanzend of porseleinachtig uitzicht omdat men ze met een typische steendruktechniek op speciaal bewerkt karton of papier drukte. In navolging van de zakelijke  ‘porseleinkaarten’ begonnen genootschappen en verenigingen (in Gent bijvoorbeeld de dierentuin, de lantaarnaanstekers, de burgerwacht en de reinigingsdienst) een mooie kaart aan te bieden ter gelegenheid van het nieuwe jaar. Die traditie werd dan op haar beurt door particulieren overgenomen: ze stuurden elkaar hun beste wensen via de post.

De jaarwisseling stond al bol van soms zeer oude tradities: feesten, vuurwerk, goede voornemens, het drinken van een borrel, een feestmaal enz. Nu waren er ook nog nieuwjaarskaarten bijgekomen. Deze traditie neemt nu wel af door de vele mogelijkheden om snel digitale wensen te sturen.

Marc Hanson

Illustraties
nieuwjaarskaart Sint-Baafsabdij: privécollectie Ph. Bockstael
nieuwjaarskaart Bonne Année: privécollectie imagesmusicales
porseleinkaart: collectie Huis Van Alijn
nieuwjaarskaart lantaarnaanstekers: collectie Huis Van Alijn

2022-01-06T15:42:46+01:0030 december 2021|Abdij, Historisch|

Wolvenjacht in de buurt van de abdij

Sinds een paar jaar wordt de wolf, niet zonder enige commotie, opnieuw waargenomen in Limburg. Het was meer dan een eeuw geleden dat die intelligente, maar schuwe dieren, nog in ons land waren gesignaleerd. In de middeleeuwen waren wolven nochtans in Vlaanderen een vast onderdeel van de populatie van wilde dieren. Ze werden net als vossen, everzwijnen en herten bejaagd, ook in de zeer uitgestrekte Sint-Baafsheerlijkheid. Naast deze dieren zorgden ook vossen, everzwijnen, herten, dassen, hazen, konijnen, otters, nertsen, wilde ganzen, kraaien en duiven soms voor economische schade, en joegen de (grote) pachtboeren in dienst van de abdij op kosten om gewassen, vee, bossen en visvijvers te beschermen. Wolven werden nog eens extra gevreesd omdat er in het Sint-Baafsdorp en elders geruchten de ronde deden dat ze soms kinderen aanvielen en doodden.

Vanaf de late veertiende eeuw startten overheid en rijke particulieren campagnes om de populaties van ‘schadelijke’ wilde dieren terug te dringen en loofden ze premies uit voor het doden ervan. In de Sint-Baafsheerlijkheid vroegen jagers ook vanaf toen opvallend veel premies aan voor gevangen/gedode wolven. Als bewijs moest je dan wel de kop, beide oren of de rechter voorpoot van het dier overhandigen aan de gerechtelijke autoriteit. Het STAM is in het bezit van een gemummificeerde wolvenpoot die aan de poort van het Gravensteen was genageld. Het dier was waarschijnlijk in 1736 gedood in Knesselare.

De continue druk en jacht op sommige zoogdieren en vogels leidden soms op termijn tot het volledig verdwijnen van bepaalde dieren, bijvoorbeeld de wolf, uit onze gebieden. Tegenwoordig genieten wolven in de EU-lidstaten bescherming. Maar buiten Europa, bijvoorbeeld in Alaska, kunnen ze legaal geschoten worden en in sommige gebieden krijg je zelfs een premie voor een gedode wolf. De gedode dieren zijn het meest gegeerd voor hun zeer zachte pels.

Marc Hanson

Illustratie: Miniatuur uit ‘The Rochester Bestiary’ ca 1230-1400. Bron: British Library.

Foto: Gemummificeerde wolvenpoot. Bron: stamgent.be.

2021-11-28T13:04:32+01:0028 november 2021|Abdij, Historisch|
Ga naar de bovenkant