Een historische kijk
op deze unieke plek


Noormannenellende

Aan die bloeitijd kwam een einde door twee opeenvolgende invallen door de Noormannen in de tweede helft van de 9 de eeuw. In 879-880 sloegen ze zelfs hun winterkamp op in de abdij. Onder dreiging van al dat geweld waren de kloosterlingen naar de Franse stad Laôn uitgeweken, omdat de toenmalige lekenabt graaf van Laôn was. Na bijna een halve eeuw afwezigheid kwam de communauteit uit ballingschap naar Gent terug. Die lange afwezigheid werd hen bijna fataal: de kloostergebouwen lagen in puin en hun talrijke bezittingen waren in beslag genomen door de Vlaamse graaf Arnulf I (918-965). Die had ondertussen een zeer sterke band opgebouwd met de Sint-Pietersabdij. Na aandringen van de bisschop van Doornik ging Arnulf dan toch over tot de materiële en geestelijke restauratie van de abdij. Hij gaf een deel van haar goederen terug en verplichtte de kloosterlingen tot het volgen van de regel van Benedictus. De abdij werd nu (946) een benedictijnenabdij onder leiding van een abt, die voortaan een geestelijke zou zijn.

De abdij gered, gegroeid en machtig geworden

De ware redder van de abdij in nood was echter de Rooms-Duitse keizer Otto II (973-983). In zijn strijd tegen de Franse koning, van wie de Vlaamse graaf maar een vazal was, steunde hij voluit Sint-Baafs op de rechter Scheldeoever. De Schelde was toen immers de landsgrens tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk. Dankzij deze machtige beschermheer begon de abdij een tweede bloeiperiode, die gepaard ging met een felle concurrentiestrijd tegen de zusterabdij Sint-Pieters. Die bloei blijkt uit de aanzienlijke aangroei van haar domeinbezit en een grote bouwactiviteit. Onder abt Odwinus (981-998) startte de bouw van de imposante romaanse abdijkerk, waarvan 'de oudste muur van Gent' nog rechtstaat. Na hem werd er verder aan gebouwd zodat ze in het begin van de 11 de eeuw (grotendeels) was afgewerkt. Nu konden bedevaarders van heinde en verre de relieken komen vereren in de crypte en aan de vele altaren van deze schitterende kerk.

Een van die 'bedevaarders' was niemand minder dan de "legendarische" Macharius , naar eigen zeggen aartsbisschop van Antiochië. Toen hij kort daarna in het klooster aan de pest overleed, ontstond rond zijn persoon een snelgroeiende verering. Hij bracht het in geen tijd tot pest- en parochieheilige en gaf dus zijn naam aan onze parochie en wijk. Ondertussen werd ook ijverig gebouwd aan de overige kloostergebouwen, zodat de meeste 'gebouwen' van de ruïne uit de 10 de -12 de eeuw dateren.

(download de hele tekst als pdf) (verder) (andere teksten)