Een historische kijk
op deze unieke plek
Lang voor er sprake was van Macharius, naar wie onze wijk is genoemd, stond op de plaats van de huidige ruïne een der machtigste benedictijnerabdijen van Vlaanderen en ver daarbuiten. Hoe is ze precies daar gekomen?
Amandus en Bavo: stichter en naamgever
Zendelingen trachtten in de 7 de eeuw het hele gebied tussen de Somme en de Ardennen voor het christelijke geloof te winnen. Als steunpunten voor die evangelisering van het omliggende gebied stichtten ze abdijen. Een van die gedreven zendelingen was Amandus , afkomstig uit Zuid-Frankrijk. Via de Schelde bereikte hij rond 630 de Blandijnberg, waar hij met steun van de Merovingische koning een bescheiden houten klooster kon bouwen. Vanuit deze veilige schuilplaats ondernam hij zijn bekeringswerk in het gebied vlak bij de samenvloeiing van Leie en Schelde, Ganda genaamd. Op de hoger gelegen zandige gronden leefde er toen al een agrarische gemeenschap van enige omvang. Met de steun van dezelfde koning wist hij er gronden te verwerven, medewerkers te recruteren en een kerkje te bouwen.
De jongste zoon van Karel de Grote, Lodewijk de Vrome (814-840), stelde Einhard (+ 840), de beroemde biograaf van Karel, aan tot abt van de Ganda(Sint-Baafs)abdij. Zo werd de abdij een rijksklooster onder de leiding van een lekenabt. De kloosterlingen waren toen kanunniken en nog geen benedictijnen. Met zo'n invloedrijke abt als beschermheer en door het succes van de Bavoverering tot ver buiten Gent, kende het klooster een eerste bloeitijd. Het was wellicht Einhard die een eerste stenen kerk liet optrekken. De andere kloostergebouwen waren toen waarschijnlijk nog van hout, dat toen in de buurt ruim voorradig was.