De abdij

Zeer tegen hun zin moesten de nieuwe kanunniken hun schitterende locatie verlaten en kregen zij de Sint-Janskerk, die vanaf dan Sint-Baafskerk zou heten, als kapittelkerk toegewezen. De keizer liet er geen gras over groeien. Ondanks het gesmeek �� van de kanunniken en het protest van de bewoners begonnen nog in april enkele duizenden arbeiders met de grootscheepse slopingswerken en de bouw van de nieuwe versterking naar Italiaans model, bekend gebleven als het Spaans kasteel of het Spanjaardenkasteel. Al in 1545 was het immense bolwerk, dat ongeveer 2.500 man herbergde, helemaal klaar.

Afbraak Spaans kasteel

Het calvinistisch bewind begon in de zomer van 1577 met man en macht aan het slopen van de gehate burcht. Alleen   de twee oostelijke bolwerken bleven overeind en werden in de nieuwe stadsversterking opgenomen. Nadat Alexander Farnese de stad weer onder Spaans gezag   had gebracht (1584), liet hij de verwoeste citadel heropbouwen, een werk dat bijna tien jaar duurde. Vooral in de Oostenrijkse periode werd er binnen het kasteel voortdurend hersteld en verbouwd. Zo werd de vroegere schrijnwerkerij van de abdij veranderd in een classicistische woning voor de militaire gouverneur. In 1781 beval Jozef II (1781 – 1790) de ontmanteling van de vesting, maar tot de nieuwe citadel op de plaats van het huidige gelijknamige park afgewerkt was (ca. 1830) , bleef de vesting nog in gebruik als garnizoensplaats en militair depot. Pas midden 19 de eeuw zouden alle bovengrondse sporen van de vesting verdwenen zijn.

Conservatie, urbanisatie en herwaardering

August Van   Lokeren (1799-1872), ���� jurist en liberale Gentse schepen, maar vooral gepassioneerd door geschiedenis en archeologie, zorgde ervoor dat de abdijruïnes, die staatseigendom waren, niet verdwenen, maar voor het nageslacht bewaard bleven. Zij kwamen in 1834 onder het beheer van de Commissie voor Monumenten (sinds 1818), die dadelijk begon met de eerste instandhoudingswerken. Korte tijd later kregen industrialisatie en urbanisatie ook deze voor Gent zo belangrijke historische plek in hun greep. De stad bouwde er in 1853-1857 een groot nieuw slachthuis en een veemarkt. Enkele jaren nadien werden straten getrokken, arbeiderswoningen (o.a. beluiken) gebouwd, cafés geopend en verkeersverbindingen aangelegd. Deze infrastructuur trok op haar beurt nieuwe bedrijven aan.

Niet iedereen was even gelukkig met die doorgedreven urbanisatie rond, op, en soms in de   overblijfselen van de voormalige abdij. Ook na de dood van Van Lokeren bleef de Commissie alert en ondernemend. In 1887 schonk de Staat de abdijresten aan de stad Gent, op voorwaarde dat zij een museum zouden herbergen: het Museum voor Stenen Voorwerpen was geboren. Op korte tijd werden tientallen middeleeuwse en latere grafstenen en andere stenen sculpturen, die bij (openbare)werken in de stad frequent aan het licht kwamen, tentoongesteld in de ontruimde refter en de vroegere voorraadkelders van de abdij. Bij K.B. van 28.12.1936 werden de ruïnes als historisch monument beschermd.

De sluiting (1989) en de sloping (1991) van het slachthuis betekenden het definitieve einde van een onstuimig industrieel verleden en van een periode waarin slachters en veehandelaars het wijkbeeld bepaalden. Ondertussen was al een herwaarderingsproject opgestart. De vervallen buurt kwam weer tot leven, heeft nu een evenwichtige sociale mix, biedt rust en ruimte en het broeit er van de initiatieven. Eén ervan was de oprichting voorjaar 2007 van “Buren van de abdij” om buren, andere Gentenaars en toevallige bezoekers af en toe op zondag te laten genieten van de bijna monachale rust en stilte op deze cultuurhistorisch uitzonderlijke plek.

Marc Hanson

page 1 page 2 page 3