De abdij

De abdij gered, gegroeid en machtig geworden

De ware redder van de abdij in nood was echter de Rooms-Duitse keizer Otto II (973-983). In zijn strijd tegen de Franse koning, van wie de Vlaamse graaf maar een vazal was, steunde hij voluit Sint-Baafs op de rechter Scheldeoever. De Schelde was toen immers de landsgrens tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk. Dankzij deze machtige beschermheer begon de abdij een tweede bloeiperiode, die gepaard ging met een felle concurrentiestrijd tegen de zusterabdij Sint-Pieters. Die bloei blijkt uit de aanzienlijke aangroei van haar domeinbezit en een grote bouwactiviteit. Onder abt Odwinus (981-998) startte de bouw van de imposante romaanse abdijkerk, waarvan ‘de oudste muur van Gent’ nog rechtstaat. Na hem werd er verder aan gebouwd zodat ze in het begin van de 11 de eeuw (grotendeels) was afgewerkt. Nu konden bedevaarders van heinde en verre de relieken komen vereren in de crypte en aan de vele altaren van deze schitterende kerk.

Een van die ‘bedevaarders’ was niemand minder dan de “legendarische” Macharius , naar eigen zeggen aartsbisschop van Antiochië. Toen hij kort daarna in het klooster aan de pest overleed, ontstond rond zijn persoon een snelgroeiende verering. Hij bracht het in geen tijd tot pest- en parochieheilige en gaf dus zijn naam aan onze parochie en wijk. Ondertussen werd ook ijverig gebouwd aan de overige kloostergebouwen, zodat de meeste ‘gebouwen’ van de ruïne uit de 10 de -12 de eeuw dateren.

In die periode ontstond ten oosten van de abdij het Sint-Baafsdorp dat zich op den duur tot ver buiten de huidige stadsring uitstrekte. Het kreeg een eigen parochiekerk, een eigen hospitaal en was op vele terreinen nauw met de abdij, maar meer en meer ook met de uitdeinende stad verbonden. De bewoners waren meiden en knechten die deels voor de abdij werkten, kleine boeren, wevers, ijzerbewerkers, lokale ambtenaren enz. Vooral nadat het dorp was opgenomen binnen de oostelijke stadsomwalling (ca. 1325), die het traject volgde van de huidige Hertog van Arenbergstraat, werd de juridische en financieel-economische greep van de stedelijke overheid steeds sterker. In die late(re) middeleeuwen deinde de abdij mee op het ritme van de lokale, regionale en internationale politieke en religieuze ontwikkelingen. Dat leverde haar geregeld voordelen op (belangrijke diplomatieke opdrachten, huwelijken van groten der aarde in de abdijkerk etc.), maar af en toe kwam ze daardoor ook in nauwe schoentjes (verwikkeld in familievetes, in de strijd om de ware paus, in de centralisatiegreep van de Bourgondiërs etc.).

De abdij afgeschaft en gesloopt

Twee cruciale gebeurtenissen kort voor het midden van de 16 de eeuw zouden het einde van de abdij betekenen. Na overleg met de hoogste religieuze en politieke overheid vormde abt Lucas Munich in 1536-’37 de reguliere benedictijnenabdij om tot een seculier kapittel van kanunniken onder de leiding van een gemijterde proost. Nu had Gent een prestigieus en rijk kapittel, want het oude grafelijke kapittel van Sint-Veerle straalde sinds de 15 de eeuw alleen maar onmacht uit. Op 31 juli 1537 legden de monniken het kloosterhabijt af en ze aanvaardden de kapittelstatuten, die hen verplichtten tot het bijwonen van het koorgebed, maar ontsloegen van de gelofte van armoede, terwijl ze ook nog eens van belangrijke privileges genoten.

In 1540 maakte Karel V korte metten met zijn geboortestad Gent, die geweigerd had haar aandeel in de vorstelijke bede te betalen en hierdoor de keizer danig op de tenen had getrapt. Op 29 april werd in het Prinsenhof aan de vertegenwoordigers van de stad het keiharde vonnis voorgelezen dat bekend bleef als de Concessio Carolina . (De gebeurtenis wordt nog jaarlijks herdacht in de indrukwekkende optocht van de stroppendragers.) Daarin werd onder meer de sloping bevolen van de Sint-Baafsabdij, de parochiekerk en de huizen van het Sint-Baafsdorp, want Karel wilde net op die plek een dwangburcht, gericht op het hart van de stad.

page 1 page 2 page 3