De abdij

Lang voor er sprake was van Macharius, naar wie onze wijk is genoemd, stond op de plaats van de huidige ruïne een der machtigste benedictijnerabdijen van Vlaanderen en ver daarbuiten. Hoe is ze precies daar gekomen?

Amandus en Bavo: stichter en naamgever

Zendelingen trachtten in de 7 de eeuw het hele gebied tussen de Somme en de Ardennen voor het christelijke geloof te winnen. Als steunpunten voor die evangelisering van het omliggende gebied stichtten ze abdijen. Een van die gedreven zendelingen was Amandus , afkomstig uit Zuid-Frankrijk. Via de Schelde bereikte hij rond 630 de Blandijnberg, waar hij met steun van de Merovingische koning een bescheiden houten klooster kon bouwen. Vanuit deze veilige schuilplaats ondernam hij zijn bekeringswerk in het gebied vlak bij de samenvloeiing van Leie en Schelde, Ganda genaamd. Op de hoger gelegen zandige gronden leefde er toen al een agrarische gemeenschap van enige omvang. Met de steun van dezelfde koning wist hij er gronden te verwerven, medewerkers te recruteren en een kerkje te bouwen.

Korte tijd later schoot een zekere Adalwin hem te hulp. Deze rijke edelman uit Haspengouw was na het overlijden van zijn vrouw door Amandus bekeerd en gedoopt. Hij trad in het klooster, waarbij hij de naam Bavo aannam. Met toestemming van zijn leermeester vestigde hij zich als kluizenaar in de buurt van Gent, waar hij na zijn dood (voor 659) lokaal werd vereerd. Nadat zijn gebeente naar de Gandakerk was overgebracht, nam ook hier zijn verering snel toe, wat natuurlijk uitmondde in allerlei giften en schenkingen. Zo groeide waarschijnlijk nog voor het einde van de 7 de eeuw uit de clerus verbonden aan die kerk een tweede kloostergemeenschap op amper een kilometer van Sint-Pieters. Vanaf de 9 de eeuw zou het Gandaklooster meer en meer Sint-Baafs worden genoemd.

De jongste zoon van Karel de Grote, Lodewijk de Vrome (814-840), stelde Einhard (+ 840), de beroemde biograaf van Karel, aan tot abt van de Ganda(Sint-Baafs)abdij. Zo werd de abdij een rijksklooster onder de leiding van een lekenabt. De kloosterlingen waren toen kanunniken en nog geen benedictijnen. Met zo’n invloedrijke abt als beschermheer en door het succes van de Bavoverering tot ver buiten Gent, kende het klooster een eerste bloeitijd. Het was wellicht Einhard die een eerste stenen kerk liet optrekken. De andere kloostergebouwen waren toen waarschijnlijk nog van hout, dat toen in de buurt ruim voorradig was.

Noormannenellende

Aan die bloeitijd kwam een einde door twee opeenvolgende invallen door de Noormannen in de tweede helft van de 9 de eeuw. In 879-880 sloegen ze zelfs hun winterkamp op in de abdij. Onder dreiging van al dat geweld waren de kloosterlingen naar de Franse stad Laôn uitgeweken, omdat de toenmalige lekenabt graaf van Laôn was. Na bijna een halve eeuw afwezigheid kwam de communauteit uit ballingschap naar Gent terug. Die lange afwezigheid werd hen bijna fataal: de kloostergebouwen lagen in puin en hun talrijke bezittingen waren in beslag genomen door de Vlaamse graaf Arnulf I (918-965). Die had ondertussen een zeer sterke band opgebouwd met de Sint-Pietersabdij. Na aandringen van de bisschop van Doornik ging Arnulf dan toch over tot de materiële en geestelijke restauratie van de abdij. Hij gaf een deel van haar goederen terug en verplichtte de kloosterlingen tot het volgen van de regel van Benedictus. De abdij werd nu (946) een benedictijnenabdij onder leiding van een abt, die voortaan een geestelijke zou zijn.

page 1 page 2 page 3